De dag ligt voor me en kijkt me lachend aan. Hij is van mij, net als het huis, dat stil is en leeg.
Het is mijn dag, mijn huis.
Een jaar geleden begon mijn ouderschapsverlof. Dat betekende: elke dinsdag vrij. Man aan het werk, de jongste naar het kinderdagverblijf, de oudste naar school en na school met haar naar zwemles.
Het waren dagen die niet zomaar voorbij gingen. Ik vulde ze met huishoudelijke klusjes (te weinig), helpen op school (soms), stadten (heel vaak), niks doen (geregeld), boodschappen (altijd), moederen (bij ziekte en in vakanties), lunches (af en toe), nadenken (bijna doorlopend), genieten (voortdurend).
Het verschil tussen een jaar geleden en nu is groot. Toen had ik best een lastige baan, die ook ‘s avonds thuis de nodige tijd en aandacht vroeg. Man kwam thuis om half negen, als de kinderen zo’n beetje op bed lagen. De kinderen waren kleiner. Nu ze ouder worden, wordt de zorg minder intensief. Man heeft baan met kantooruren, zoals hij zelf zegt. Ik heb minder veeleisend werk. Het kwam allemaal samen met die extra vrije dag, die helemaal voor mezelf was.
Het maakte me lichter in mijn hoofd, energieker, creatiever, uitgeruster. Ik voel me geen ploetermoeder, ik ben niet voortdurend moe, ik heb tijd voor een sociaal leven, ik had tijd voor iets nieuws (deze website). Ik durf zelfs te zeggen dat drie dagen werken heel makkelijk te combineren is met het moederschap.
Ik lees dit en denk: tijd voor zichzelf, dat zouden meer mensen moeten (durven, kunnen, mogen) nemen.
Vanaf volgende week telt mijn werkweek weer vier dagen. Het is goed, zo.
Dag, dag!