Opbelbericht van de Postbank.
Moet een of andere actie zijn waar ik geen belangstelling voor heb.
Je moet bellen, zegt man.

Ik bel.
Krijg te horen dat er iets van mij is gevonden wat ik nog niet heb gemist.
Mijn creditcard.
Af te halen op het politiebureau.

Naar het politiebureau.
Daar ben ik lang.
De creditcard is niet te vinden.
De bank bedoelde vast dat de kaart daar naar toe is opgestuurd, zegt agent.
Volgens mij niet, zeg ik.
Een gevonden kaart sturen wij altijd naar de bank, zegt de agent.
Ze zeiden dat -ie hier is.
U moet bij een ander bureau zijn, zegt agent.
Volgens mij niet, zeg ik.
Dit is niet uw wijkbureau, zegt agent.
Ze zeiden dat de kaart hier is.

De agent gaat weer zoeken.
Zijn collega helpt mee.
Het helpt niet.
Moet ik nu aangifte doen van vermissing, vraag ik.

Agent stuurt mij naar huis.
Belooft te bellen.
Belt.
Kaart ligt toch in kluis.

De volgende dag meld ik mij weer op het politiebureau.
Ik wacht een tijdje.
Of best lang.
Agent wappert met kaart.
Zegt: Hij stinkt naar wiet.

Ik lach vriendelijk naar agent en haal mijn schouders op.
Ik heb wel gekkere dingen meegemaakt.

Average Rating: 4.8 out of 5 based on 155 user reviews.

Reacties zijn gesloten.