Huizen zonder tuin waren het, met of zonder balkon of met een plaatsje.
En een woning met een omheinde tuin.
Allemaal plekken waar je in je blootje rondjes kon rennen zonder dat iemand je zag.
Misschien had ik dat wel elke dag moeten doen, de afgelopen ruim twintig jaar.
Nu kan het niet meer.
Het is zien en gezien worden in mijn nieuwe huis.
Waar je ook kijkt zie je buren.
De buren aan de ene kant zijn constant bezig in de tuin.
Lezend op een bankje vraag ik me bezorgd af of ik ook niet constant bezig moet zijn in de tuin.
Van gekkigheid ga ik het gras maaien.
Aan de voorkant spelen moeders constant met hun kinderen.
Zij gooien ballen over, helpen met rolschaatsen.
Als mijn kinderen buiten spelen lig ik op de bank met een boek.
Met een beetje pech val ik in slaap.
De buurman aan de andere kant belt met zijn nieuwe (?) Engelse (?) vriendin.
De lucht is hier zo blauw.
Een paar dagen later is er iemand met wie hij Engels praat.
Hij vertelt haar hoe hij zich voelt.
En mij.
Ineens weet ik het.
Ik woon op een camping.