Niets

De hal is nog altijd wit.
Ik zie de witte muren, de witte trap, de witte deur. En vind het nog steeds mooi.

Kijk, zeg ik tegen mijn dochter.
De buurvrouw zwaait.
De oude buurvrouw, zegt zij.

Naast het huis van onze oude buren is een school. De juf van onze dochter zwaait naar een jongetje op het plein.
Het is haar gehandicapte zoon.

Wij zijn samen onderweg met de klas.
Wij weten niets van elkaar.

Laat een reactie achter