De zoon

De naam ken ik als niet zomaar een naam, de naam ken ik.
Dan zie ik een foto die me treft in het hart en me terug zet in de tijd, toen ik zestien was, en zo verliefd als ik nooit meer zou worden – althans, dat dacht ik toen.

Het is niet de foto van de leraar op wie ik zo gek was, het is de foto van zijn zoon, die nu 28 is, even oud als zijn vader toen. Maar ik zie de zoon niet, ik zie de vader – het mooie, lieve, innemende gezicht, de blik waarvan je wilt dat die altijd voor jou is.
Ik voel nog de sprongetjes die mijn hart maakte als ik hem zag, ik weet nog hoe ik elk zinnetje dat hij zei en alle grapjes die hij maakte opschreef in mijn dagboek, om nooit te vergeten. Het kon niets worden en het werd ook helemaal niets, maar ik wist dat hij mij leuk vond, misschien wel de leukste leerling van de school, en zo was het goed, en genoeg.

De foto die ik zie is de foto van een zoon en broer die wordt vermist. Een band met de vader en de rest van het gezin kan ik niet voelen, want er is helemaal geen band. En ik kan al helemaal niets bedenken bij het veel en veel te moeilijke leven tussen hoop en vrees, dat zij leiden sinds hij zijn huis verliet en niet meer terugkwam.
Maar ik denk steeds aan ze.

’s Avonds wordt bekend dat zijn levenloze lichaam is gevonden.
Ik kijk nog een keer naar de foto van de jongen van wie ik nauwelijks iets weet.
Het moet iemand zijn geweest op wie je heel erg verliefd kunt worden en van wie je heel veel kunt houden, iemand die een onuitwisbare indruk op je maakt, iemand om nooit te vergeten.
Iemand die nog heel lang had moeten leven.

Laat een reactie achter